Voorjaar bij de Schorren Foto: Michiel Scholtes Een avontuur van Michiel Scholtes Het is nog kil en leeg in de haven van Oudeschild. Mijn boot ligt in de schaduw van de dijk. Dauw druppels vallen van Eenhoornâs tuigage en de kou van zijn ijzeren dek doet mijn blote voeten pijn. Dan klimt een waterige zon boven de dijk. Klapwiekende meeuwen strooien vlekken op mijn netvlies. Mijn fleece verzamelt zijn warmte en geeft die door aan mijn huid. Dit wordt een mooie dag. Er staat geen wind en er is weinig wind voorspeld. Dat is niet erg voor mijn plan. Want ik wil eindelijk eens door de route naar het Eierlandse Gat, het minst bezochte zeegat van de westelijke Waddenzee, waar zeehonden nog opkijken als je vlak langs hun zonnebanken vaart. Niet buitenom, de toegang vanaf zee is onbetond, de ondieptes verlopen steeds en er loopt vandaag veel deining van slecht weer boven de Doggersbank. Nee, we gaan binnendoor, met de vloed langs oost-Texel schuin omhoog tot het niet diep genoeg meer is. En dan? Dan verder met de tienvoets jol, voor dit doel geleend van vrienden, een rond geval met slechts een zeil dat beter roeit dan zeilt. De Waddenzee rimpelt onder een zuchtje voorjaarswind. De ochtendhemel is vaalblauw, de heiige zee leigrijs. Eenhoorn zeilt noordnoordoost door het Vaarwater van De Cocksdorp. De jol volgt aan zijn sleeplijn, een pulletje achter zijn moeder. We peilen de drijf bakens voor en achter ons en blijven zo goed mogelijk in de geul. Voorbij de Eenhoornplaat, in de Pan, voorbij het laatste rode drijfbaken, gooi ik ons zwaarste anker in zee. Tot hier durf ik. Verderop op het wantij staan alleen nog takkenbossen, als we daar vastlopen, komen we zonder hulp nooit los. Ik ga staan en peil de kust. De Texelse waddendijk ligt als een dikke rups op de westelijke horizon. Dwars van ons steken de wieken van de oude grondzeiler Het Noorden boven haar kruin uit, die maalden daar lang geleden de gelijknamige polder droog. Schuin achteruit staat de ooit voor de scheepvaart in de Texelstroom opgerichte gietijzeren kaap. Ik ben er met de fiets geweest, een broodmager staketsel dat suisde in de wind. Nu met de jol naar De Cocksdorp. Brood, water en riemen mee. Anker en lijn mee. Reddingvest en droge kleren mee. Mobieltje mee. Ik hijs het kleine gaffelzeil. Eenhoorn verkleint tot een stip, tot het vermoeden van stip dat ook een tak kan zijn. Ik houd de steekbakens langs de Vlakte van Kerken ver aan stuurboord en zeil zo dicht als mag langs het natuurgebied de Schorren bij de Eendracht, een groene streep tussen de bruine waddendijk en het blauwgrijze water. Boven dat groen vliegt tussen meeuwen een groep rotganzen en als ik mijn handen achter mijn oren houd, hoor ik een achtergrondruis van gesnater. Even denk ik zelfs lepelaars te zien vliegen, maar daarvoor is het erg vroeg, ze broeden pas in april. Het water zakt... en zakt. Links glimmen slikken, rechts nat zand, wier en schuim. De eb trekt hard en de wind duwt ons door de geul die steeds smaller wordt. Een groepje eidereenden drijft voorbij. Een zeehond steekt verderop zijn glimmende kop omhoog. Ik geniet, ga buitenboord hangen en kijk hoe de romp door het water glijdt. Een glazig snorretje krult rond de boeg, belletjes schuiven plakkerig langs de planken huid. Ik ga verzitten en kijk langs de spiegel omlaag. Water warrelt omhoog, lost en vormt rusteloze spiralen door de blikkerende weerspiegeling van de zon op golfjes achter de jol. Een vroege grote stern, zijn kop nog wit, bidt en maakt er schijnduiken naar visjes. Kokmeeuwen met slechte bedoelingen zwieren langs hem heen. Langs het roer priemen zonnestralen door tot op de bodem. Ah, de bodem komt omhoog. Het zwaard knarst in zijn kast, het roerblad scharniert en snijdt het zand tot wolken. Ik stuur nog naar stuurboord, naar de drijfbakens van het Vogelzwin. Een kleine schok. We zitten vast en het beeld keert: de ebstroom botst lispelend op de spiegel en loopt van de boeg als een wuivend lint. Het zeiltje bolt en drukt, maar de jol verroert zich niet. Ik haal het weg en bind het tot een rol. Geen uur later is al het water weg en is het stil. Geen verkeer... Geen stemmen... Alleen het ijle roepen van vogels, overal vogels die boren en wroeten in het wad. Geen De Cocksdorp met de jol. Misschien te voet? Ik pak mijn broodzak en de fles en stap overboord. Modderwater loopt in mijn schoenen. Koud. Ik zak tot mijn enkels in het koude slik. Wadslakjes kleven aan mijn benen, slijkgarnaaltjes kruipen weg. Soppend en zuigend nader ik een droger stuk. Hoog slikkig wad met pionierplanten, zeegras en puntjes jonge zeekraal. Sluip- en zweefwespen en muggen zoemen om mijn benen. Ik bereik een zanderige reep aan de voet van de dijk met duin- en kweldergras. Daar ga ik zitten en kijk dromerig naar de jol in de verte, zijn mastje scheef in de lentelucht. En terwijl ik mijn tanden zet in een boterham met kaas, treur ik omdat de zeekraal nog niet hoog genoeg staat voor aan boord in de sla.â Eenhoorn 27 Pagina 26
Pagina 28Interactieve digitale relatiemagazine, deze flyer of lesmateriaal is levensecht online geplaatst met Online Touch en bied het digitaal uitgeven van ereclamefolders.
Voorjaar 2009 Lees publicatie 13Home